Omgaan met weerstand in participatie

Hoe kunnen we, volgens de gedragswetenschap, omgaan met weerstand tijdens (bewoners)participatie? Want het gebeurt regelmatig dat je tijdens een participatietraject stuit op boze bewoners die helemaal niet willen participeren. En jouw organisatie beschuldigen van schijnparticipatie, want ‘alles is toch al bedacht’. 

Wanneer weet je dat de kans groot is dat je met weerstand te maken krijgt? De kans op weerstand is het grootst bij plannen die bewoners direct raken en waar ze weinig invloed op lijken te hebben. Zoals bij sloop- en nieuwbouwplannen. Dat is niet zo gek. Het gaat dan vaak om de sloop van sociale huurwoningen in achterstandswijken. Bewoners hebben weinig tot geen zeggenschap over wat er met hun woning gaat gebeuren. Ook is het onzeker of zij wel in hun wijk kunnen blijven wonen. Die onzekerheid leidt tot stress en boosheid onder bewoners, die zich richt op de organisatie die verantwoordelijk is voor de sloop- en nieuwbouwplannen.

5 gedragstechnieken

Met de volgende vijf technieken uit de gedragskunde, de 5A’s, kun je weerstand van bewoners tegen sloop- nieuwbouwplannen verminderen of zelfs voorkomen. Technieken die je zowel in de communicatie als participatie kunt inzetten. Bedenk wel: je zou hier een boek over kunnen schrijven. Letterlijk. Dus we raken het hier slechts kort aan.

1. Autonomie

Weerstand kan voortkomen uit het gevoel de controle te verliezen. Het is nogal wat als een organisatie jouw leefomgeving wil beïnvloeden! Door bewoners keuzes en perspectief te bieden, geef je ze de controle terug en krijgen ze weer regie over hun leven.

Bij een sloop- en nieuwbouwproject werkt dat zo: communiceer duidelijk over de keuzes die bewoners wél hebben. Bijvoorbeeld dat ze mee kunnen denken over het Sociaal Plan. En daar ook voor of tegen kunnen stemmen. Ook omwonenden kun je tot op zekere hoogte autonomie bieden. Baken de participatieruimte heel duidelijk af: wat ligt vast en wat niet. Wellicht dat zij hun uitzicht en privacy verliezen door de komst van de nieuwbouw. Geef dan bijvoorbeeld aan dat de hoogte van de nieuwbouw vaststaat, maar dat ze wel mogen meedenken over de ligging van de balkons van het nieuwe gebouw. En blijft de weerstand dan toch megagroot, koppel dan terug naar bestuurlijk niveau. Wellicht moet er dan een andere participatieruimte gedefinieerd worden.

2. Actief luisteren

Op weerstand reageren met nog meer weerstand werkt als olie op het vuur. Ook het niet erkennen van bezwaren (‘als we het niet benoemen dan is het er niet’) zorgt vaak alleen maar voor nóg meer wantrouwen en opstandigheid. Door (oprecht!) inlevingsvermogen te tonen en actief te luisteren naar zorgen en bezwaren kan weerstand worden verminderd. Ook al veranderen de plannen hier niet door.

Zeker als bewoners bezorgd of boos zijn als ze het bericht hebben gehad over de sloop van hun woning, is het belangrijk inlevingsvermogen te tonen en actief te luisteren zodat mensen zich gehoord voelen. Organiseer bijvoorbeeld een spreekuur waarin bewoners en omwonenden hun zorgen en bezwaren kunnen uiten. Zorg dat de medewerkers die het spreekuur doen, empathisch zijn maar tegelijkertijd ook goed kunnen uitleggen waarom de plannen nodig zijn.

3. Altercasting

Altercasting is een techniek waarbij je de doelgroep in een bepaalde sociale rol plaatst, wat vervolgens de kans verhoogt dat de doelgroep ook gedrag dat past bij die sociale rol gaat vertonen.

Een voorbeeld: oudere bewoners moeten als gevolg van sloop-nieuwbouwplannen min of meer gedwongen van hun eengezinswoning naar een seniorenappartement verhuizen. Je kunt deze bewoners dan aanspreken op hun rol als ouder, oma of als betrokken bewoner die het belangrijk vindt dat (hun) kinderen en jonge gezinnen een woning hebben. Vervolgens geef je aan dat ze hun steentje kunnen bijdragen aan datgene wat ze belangrijk vinden, door ruimte te maken voor de nieuwe, jongere generatie.

4. Aanbieden van zekerheiden en garanties

Angst voor onrecht of misleiding is een belangrijke oorzaak van weerstand. Geef daarom zoveel mogelijk zekerheid aan bewoners: denk aan het communiceren over wat er sowieso niét zal gebeuren. Ook het bieden van garanties helpt om angst bij bewoners weg te nemen. Zelfs al hebben bewoners weinig vertrouwen in jou als organisatie, deze zekerheden bieden een stukje houvast (“In ieder geval krijgen we…”) wat de kans op weerstand verkleind.

5. Ambassadeurs

Een gouden regel uit de gedragswetenschap: wié iets zegt is minstens zo belangrijk als wát er wordt gezegd. Is er veel weerstand tegen jou als organisatie of gemeente? Ga dan op zoek naar iemand – denk aan een bewoner die geliefd is in de wijk – die wél achter het proces staat en die wil helpen om met de bewoners te communiceren. Of verzin een andere ambassadeur. Zoals onze Drs. P(arkeren), die je hieronder ziet. Dit icoon hielp ons zo’n 20 jaar voor het eerst bij een participatietraject over parkeren. En heeft dat daarna nog verschillende keren gedaan. Als het toch over parkeren gaat, dan heb je toch liever een lachende uitnodiging. Wedden dat ineens mensen meer openstaan voor een gesprek?

Kijk met een gedragsbril naar je participatietraject

Hierboven heb ik weer enkele gedragstechnieken besproken die als Haarlemmerolie kunnen werken voor een gewaardeerd participatietraject. Dat gezegd hebbende: het is natuurlijk belangrijk dat je niet zomaar gedragstechnieken op een participatietraject plakt, maar écht kijkt waar bewoners staan, met wat voor soort weerstand je te maken hebt en waar bewoners behoefte aan hebben. Besef ook, dat hier niet bewust mee omgaan of zelfs verkeerde keuzes maken een averechts effect op de resultaten van de participatie heeft.

 

Michel Buhrs, directeur Bureau Buhrs & Behaviour Club


← terug